weebly statistics
foto evenementen elf fair nacht steden macro

A a d   K a l i s v a a r t ’ s   F o t o s i t e

N  e  w     a  n  d      f  r  e  s  h      l  o  o  k

P      h      o      t      o      g      r      a      p      h      y

Stations

Tekstvak:

© Copyright Aad Kalisvaart 2018

A a d   K a l i s v a a r t ’ s   F o t o s i t e

P   h   o   t   o   g   r   a   p   h   y

Tekstvak: Tekstvak:

Tips. (pagina 1)

 

 

In het hoofdstuk “Tips” zijn diverse thema’s/onderwerpen opgenomen met bij elk onderdeel een duidelijke uitleg en toelichting met tips, toepassingen en gebruikers gemak.

Objectief keuze

Full-frame

De 50 mm lens

Het UV-filter

Polarisatiefilter, bewegend water, lichtsterkte.

De Hyperfocale afstand

De groothoeklens

Hoe werkt het Diafragma

Statieven

De werking van de Iso waarde

De geheugenkaart

De verschillende K-mount lenzen

Objectief keuze.

Objectief keuze.

Objectieven hebben de meeste invloed op het eindresultaat van je foto: scherpte, contrast, sluitertijd, etc. Ze zijn meestal belangrijker (op de fotograaf na) voor het eindresultaat dan de camera zelf. Een hele dure camera met een goedkoop plastic objectief zal zeker niet zulke goede resultaten opleveren als mogelijk is met die camera. Een kwalitatief hoogwaardig objectief op een goedkopere camera kan wel een groot effect hebben. De kunst is de juiste balans te vinden als je niet als miljonair bent geboren.

In objectieven wordt daarom ook door de meeste fotografen stevig geïnvesteerd, vooral ook omdat een lens (over het algemeen) langer mee gaat dan de camera body. Vaak is het zo dat je beter kunt besparen op een iets goedkopere camera (met iets minder megapixels) en daarvoor in de plaats juist te investeren in een goede lens.

Objectieven worden specifiek gemaakt voor (en vaak ook door) de verschillende merken. Een Pentax lens past niet op een Nikon body en vice versa, een Sigma lens komt met een Pentax, Canon of Nikon vatting. Dit maakt ook dat als je voor het eerst voor een camera merk kiest en een spiegelreflexcamera aanschaft dat je een bewuste keuze moet maken voor langere termijn, anders kun je je investering in lenzen wegmikken.

Het is daarom handig te kijken naar wat voor verschillende objectieven er zijn, wat het logische pad is om te groeien in camera bodies, wat je eigen wensen en mogelijkheden qua budget zijn, etc. Investeer je stevig een bepaald camera merk met bijbehorende objectieven en het blijkt dat je toch liever kiest voor een ander merk als je toe bent aan een upgrade, dan heb je een probleem. Bij de eerste keer instappen weegt dit dus al erg zwaar, zeker als je van plan bent naar verloop van tijd 3-4 lenzen aan te schaffen.

Wisselen.

 

Het grote voordeel van Spiegelreflex camera’s ten opzichte van compact camera’s is dat je de lenzen kunt wisselen, waardoor je afhankelijk van de situatie het ideale creatieve effect kunt bereiken (met de aan jou beschikbare lenzen). Objectieven komen voor in twee varianten, met een vaste brandpuntafstand en als zoomlens.

We drukken de brandpuntafstand uit in mm. Een vast brandpunt betekent dat je inzoomt door te lopen, met een zoomlens kun je in en uitzoomen tussen de minimum en maximum waarde die de lens ondersteunt (minimaal 28 en maximaal 135 bijvoorbeeld). Je hoeft dus niet aan de wandel, hoewel natuurlijk wel altijd aan te raden meer dan één standpunt te proberen.

Een ander voordeel van zoomlenzen is dat je minder vaak van lens hoeft te wisselen en dus ook minder kans loopt op stof op de sensor. Een algemene stelregel is dat een zoomlens van iets minder kwaliteit is dan een lens met een vaste brandpunt afstand, hoewel bouwkwaliteit hier zeker ook een rol bij speelt. De schade zit vooral in de maximale opening van het diafragma (bepaalt voor een groot deel hoe snel je maximale sluitertijd is en dus ook tot wanneer je nog ‘handheld’ kunt fotograferen). We zeggen dan dat deze lenzen minder ‘lichtsterk’ zijn.

Brandpuntafstand.

 

Een mens kijkt normaal gesproken over een hoek va 45 graden naar de wereld. Een standaard objectief ‘kijkt’ ook in deze hoek. Hoeveel mm de brandpunt afstand moet zijn wordt bepaald door het vlak waarop het licht valt. Bij analoge camera’s is dit bijna altijd 35×24mm (kleinbeeldfilm), de 50mm lens is dan de standaardlens.

De sensor van een digitale camera is echter kleiner dan 35mm (24×16mm). Dit betekent dat je kortere brandpuntafstand nodig hebt voor de standaardlens, er treed een verlengingsfactor op van 1,5-1,6x de waarde die op de lens staat (en soms wel met een factor 2,0). In het geval van Pentax moet je bijvoorbeeld de mm waarde van een objectief met 1,5 vermenigvuldigen en dit betekent dat een 200mm lens een 300mm lens wordt. Er zijn ook digitale camera’s die beschikken over een ‘full frame sensor’, deze is gelijk aan de 35×24mm kleinbeeldfilm afmeting en daar komt de mm waarde van de lens dus wel overeen met de echte waarde.

Wat voor een lens het is wordt bepaald door het aantal mm vergeleken met de standaardlens. Heeft een objectief een veel kleinere waarde dan 50mm (omgerekend van de standaard 35mm), dan is het een groothoeklens. Deze hebben een grote beeldhoek waardoor je meer van de omgeving ziet dan met je ogen. Ideaal om landschappen of hoge/grote gebouwen mee te fotograferen.

Hoe groter de hoek, hoe meer kans je loopt dat gebouwen ‘krom gaan staan’. Is de waarde veel groter dan 50mm, dan hebben we het over een telelens. Deze heeft een kleine beeldhoek waardoor het onderwerp vergroot in beeld komt en dus dichterbij lijkt. Ook lijkt de afstand tussen de achtergrond en het onderwerp kleiner dan bij een grotere beeldhoek, deze heeft dan ook minder kans om af te leiden.

Door vervolgens met het diafragma te spelen kun je het onderwerp uit de achtergrond ‘liften’ en daarmee de extra aandacht geven die het verdient. Vaak komt een camera met een 18-55 (in het geval van digitaal) objectief. Dit is een standaardzoom, deze heeft een groothoek, standaard en telelens in één en is daarom een goede keuze om als startlens bij een camera te leveren. Als laatste is er nog de macro, deze maakt het mogelijk onderwerpen met een factor 1:1 te fotograferen, waardoor je bijvoorbeeld heel dicht bovenop een insect kunt kruipen en mooie grote detailopnamen van het dier of een plant kunt maken.

Hulpmiddelen.

 

Om het allemaal nog iets ingewikkelder te maken komen een aantal lenzen ook met hulpmiddelen. Canon heeft bijvoorbeeld beeldstabilisatie in de duurdere lenzen (afkorting IS), die voor Image Stabilisation staat. Deze lenzen zijn zwaarder dan andere lenzen. Sommige andere fabrikanten zoals Pentax bouwen deze juist in de camera in i.p.v in de lens, waardoor de lens minder duur en minder zwaar wordt. Met IS in de lens of in de camera wordt voorkomen dat lichte beweging een onscherp beeld opleverd (wat vooral bij zware telelenzen het geval is).

De fabrikanten beweren dat dit vaak 1 a 2 extra lichtstops oplevert, ofwel schieten met een sluitertijd van 1/250 in plaats van 1/100 (1/250 -> 1/125 -> 1/100) waardoor je minder kans loopt op onscherpe beelden als je bijvoorbeeld op 200mm schiet. Stelregel is dat je moet proberen de sluitertijd minimaal zo lang te maken als het aantal mm. Op 200 is dit 1/200, op 400mm is dit 1/400, op 100mm is dit 1/100. Anders loop je de kans op bewegingsonscherpte in de foto.

Waar op letten.

 

De kwaliteit van de lens wordt bepaald door het beeld dat hij oplevert. Hierbij spelen zaken mee als vignettering. Dit betekent dat je een donkerder beeld krijgt aan de randen van de lens dan in het midden van de lens. Vooral duidelijk als je het contrast in een beeldbewerkingsprogramma helemaal opvoert, dan krijg je soms hele donkere randen. Iets wat soms ook erg mooi kan zijn, maar niet voor kwaliteit staat. Met de ‘cropfactor’ bij digitale camera’s is dit effect wel veel minder, omdat je minder van de buitenranden van de lens in beeld krijgt.

Ook hebben lenzen te maken met onscherpte bij de randen. Het middendeel is dan veel scherper dan de rand. Hoe duurder de lens, hoe minder dit effect het geval zal zijn. Daarnaast moet je er ook rekening mee houden dat lenzen op een bepaald diafragma het beste presteren, de zogenaamde ’sweet spot’. Weten wanneer de lens van scherpte naar onscherpte over gaat kan soms het verschil zijn tussen super en net niet.