weebly statistics
foto evenementen elf fair nacht steden macro

A a d K a l i s v a a r t s F o t o s i t e

N e w a n d f r e s h l o o k

P h o t o g r a p h y

Stations

Tekstvak:

Copyright Aad Kalisvaart 2018

A a d K a l i s v a a r t s F o t o s i t e

P h o t o g r a p h y

Tekstvak: Tekstvak:

Steden.

Dordrecht

Schiedam

Tekstvak:

 

 

Montfoort

Leiden

Gorinchem

Amersfoort

Rotterdam

Almere

Hellevoetsluis

Delft

Leiden.

Leiden.

Met 123.924 inwoners is Leiden, naar inwoneraantal gemeten, na Rotterdam, Den Haag en Zoetermeer de vierde gemeente van Zuid-Holland. Het aan elkaar vast gebouwde stedelijk gebied van Leiden (waar Oegstgeest, Voorschoten, Leiderdorp en Zoeterwoude bij gerekend worden) telt 206.647 inwoners. De door het CBS gedefinieerde stedelijke agglomeratie omvat bovendien Katwijk waarmee de Leidse agglomeratie 270.879 inwoners telt. Het stadsgewest Leiden omvat (CBS) ook Teylingen, Noordwijk en Noordwijkerhout waarmee het gehele stedelijk gebied van Leiden in totaal 348.868 inwoners heeft. Met 5646 inwoners per vierkante kilometer is de stad Leiden sinds 2014, na Den Haag, de dichtstbevolkte gemeente van Nederland. De Sleutelstad, zoals de bijnaam van de stad, verwijzend naar het stadswapen, luidt, heeft de oudste universiteit van Nederland. Daarnaast is de stad bekend om de rijke geschiedenis en de oude binnenstad, met grachten, monumentale bouwwerken en hofjes. De gemeente Leiden valt onder de Rechtbank Den Haag en de Regionale Eenheid Den Haag van de politie.

Naamgeving.

De naam Leithon komt voor het eerst voor in de goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk die is opgesteld tussen 777 en 866. De oude spelling was Leyden. Een populaire maar onjuiste verklaring voor de naam Leiden is dat deze is afgeleid van de Romeinse nederzetting Lugdunum Batavorum. In werkelijkheid lag die nederzetting niet ter hoogte van Leiden, maar bij Katwijk. Deze verklaring gaat terug tot 1500, toen in de Renaissance een hernieuwde interesse ontstond voor de Romeinse Tijd. Later onderzoeking op taalkundig gebied bracht het inzicht dat de naam is afgeleid van een Oudnederlands sterk naamwoord leitha dat als gevolg van afslijting van inflexie lede werd in het Middelnederlands.

Tegenwoordig zijn we gewend een scherp onderscheid te maken tussen natuurlijke en gegraven waterlopen die laatste plegen we kanalen te noemen. In werkelijkheid is het verschil gradueel. Al in de middeleeuwen is er veel gesleuteld en geknutseld aan de loop van rivieren, door bijvoorbeeld bochten af te snijden om de afwatering of de scheepvaart te vergemakkelijken. Een samenvattende benaming voor zulke deels of geheel gegraven dan wel vergraven waterlopen is het woord lede, dat oorspronkelijk dezelfde stam heeft als het meervoud onvoltooide tijd van 'lijden', in de betekenis van 'gaan', als in (water)gang. Dit 'lede' vinden we in veel plaatsnamen terug: Leerdam (dam in de lede), Haarlemmerliede ('lede richting Haarlem'), Schipluiden ('met schepen bevaren lede') en bijvoorbeeld Westerlee ('westelijk gelegen lede').

Wapen en vlag.

 

Het Leidse stadswapen bestaat uit een wit of zilveren schild met twee gekruiste rode sleutels. Het wapen verwijst naar Sint Pieter, de schutspatroon van de stad en naamgever van de voornaamste kerk, de Pieterskerk. Petrus zou van Jezus de sleutels van de hemel hebben ontvangen[10] en is daarmee in de opvatting van de Rooms-Katholieke Kerk de grondlegger van het pausdom, dat wil zeggen dat hij, na de hemelvaart van Jezus, diens plaatsbekleder (niet: plaatsvervanger) was op aarde, evenals de daarop volgende pausen. Vandaar dat vergelijkbare sleutels als die van Leiden voorkomen in het wapenschild van het Vaticaan.

Het officile wapen van Leiden werd op 25 januari 1950 bij Koninklijk Besluit vastgelegd. Het toont een strijdbare, rode leeuw op een vestingmuur met de Latijnse wapenspreuk "Haec libertatis ergo" (Dit omwille van de vrijheid), dat verwijst naar de tijd van het Nederlandse verzet tegen de Spanjaarden in de zestiende eeuw. De linkerklauw van de leeuw rust op een zilveren schild met twee gekruiste, rode sleutels. In zijn rechterklauw bevindt zich een opgeheven, zilveren zwaard met gouden gevest. De vlag van Leiden, met de verhouding 3:2, bestaat uit drie gelijke horizontale banen in de kleuren rood-wit-rood. Aan de kant van de vlaggenstok bevindt zich een witte cirkel met daarin de twee gekruiste rode sleutels uit het wapen. De vlag is in 1949 vastgesteld door de gemeenteraad.

Geschiedenis.

De stad ontstond als dijkdorp aan de zuidzijde tegenover een kunstmatige heuvel aan de samenvloeiing van de Oude en de Nieuwe Rijn. In de oudste vermelding daarvan, omstreeks 860, werd het toenmalige dorp Leithon genoemd. In de op deze heuvel gelegen burcht zetelde aanvankelijk een leenman van de bisschop van Utrecht, maar de burcht kwam omstreeks 1100 in handen van de graaf van Holland. De gunstig gelegen nederzetting kreeg in 1266 bevestiging van de reeds eerder verleende stadsrechten en ontwikkelde zich met haar bloeiende lakennijverheid tot een van de grootste steden van het gewest Holland. In 1389, toen de bevolking tot ongeveer 4.000 was gegroeid, moest de stad worden uitgebreid met het stadsdeel tussen Rapenburg (tevoren de zuidrand van de stad) en de Witte Singel. In 1420 werd Leiden, in het kader van de Hoekse en Kabeljauwse twisten veroverd door hertog Jan VI van Beieren. Op 1 maart 1512 stortte de ruim 100 meter hoge toren van de Pieterskerk bij een storm in. De toren, een van de hoogste van Nederland, werd nimmer herbouwd.

In 1572 koos de stad de zijde van de anti-Spaanse opstand. De Spaanse landvoogd Requesens belegerde in 1574 de stad. Nadat dit beleg was afgeslagen - Leidens ontzet van 3 oktober 1574 - kreeg de stad in 1575 met de Universiteit Leiden de eerste universiteit van Nederland. De in vele bronnen gegeven verklaring dat stadhouder Willem van Oranje hiermee zijn erkentelijkheid aan de Leidenaren betuigde is enigszins twijfelachtig. Willem had namelijk een politiek/bestuurlijke reden voor de oprichting van een universiteit: de behoefte aan goed opgeleide getrouwen. De universiteit voert als motto Praesidium Libertatis, dat 'bolwerk van de vrijheid' betekent.

In de 17e eeuw kwam de stad tot grote bloei, dankzij de impuls die vluchtelingen uit Vlaanderen gaven aan de textielnijverheid. De stad, die voor het beleg van 1574 ongeveer 15.000 inwoners had geteld, waarvan tijdens het beleg ongeveer een derde deel het leven had verloren, was in 1622 tot 45.000 inwoners gegroeid en omstreeks 1670 werd zelfs een aantal van tegen de 70.000 bereikt. In de Gouden Eeuw was Leiden, na Amsterdam, de op n na grootste stad van Nederland. De bevolkingsgroei maakte een aanleg van nieuwe grachten en singels noodzakelijk. Het huidige centrum van Leiden, herkenbaar aan het singelpatroon, werd in 1659 voltooid. In de 18e eeuw raakte de textielnijverheid in verval, door protectionistische maatregelen in Frankrijk en de lonen, die vanwege de kosten van levensonderhoud in het gewest Holland relatief hoog moesten zijn. Het gevolg was een gestadige daling van het inwonertal van Leiden, dat eind 18e eeuw tot 30.000 was gedaald en omstreeks 1815 een dieptepunt van 27.000 zou bereiken.

Op 12 januari 1807 vond de Leidse buskruitramp plaats, waarbij ongeveer 150 burgers om het leven kwamen. Koning Lodewijk Napoleon bezocht persoonlijk de stad om de hulp aan de slachtoffers te cordineren. Op de plaats van de door de ontploffing veroorzaakte "rune" werden later het Van der Werfpark en het Kamerlingh Onnes Laboratorium aangelegd. In 1842 werd de voor Leiden zeer belangrijke spoorlijn naar Haarlem in gebruik genomen. In 1866 werd de stad getroffen door de laatste grote epidemie (cholera) die in 1868 leidde tot de start van de bouw van het nieuw Academisch Ziekenhuis. In 1883 werd niet alleen Leiden, maar ook de rest van Nederland, opgeschrikt door het nieuws van de arrestatie van de Maria Swanenburg, bijgenaamd Goeie Mie, een gifmengster die in enkele jaren tijd minstens 27 slachtoffers had gemaakt. Mede dankzij de spoorlijn was in de 19e eeuw enige verbetering opgetreden in de desolate sociaal-economische situatie, maar het aantal inwoners was omstreeks 1900 nog steeds niet ver boven de 50.000 opgeklommen. Pas in 1896 begon Leiden zich uit te breiden buiten de 17e-eeuwse singels.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Leiden zwaar getroffen door geallieerde bombardementen. De omgeving van het station en de Marewijk (tegenwoordig de omgeving van het Schuttersveld en de Schipholweg) werden vrijwel geheel met de grond gelijk gemaakt. Het historische centrum is gespaard gebleven. Het huidige Leiden profileert zich vooral als een centrum van wetenschappelijke kennis en nieuwe technologie. Daarnaast speelt ook het toerisme een steeds belangrijkere rol in deze historische vestingstad.

Geografie.

Leiden ligt in het noorden van de provincie Zuid-Holland, ongeveer 45 km zuidwestelijk van Amsterdam en ongeveer 18 km noordoostelijk van Den Haag. Door Leiden stroomt de Oude Rijn. Aan de rand van de stad splitst de Nieuwe Rijn zich af, om in de binnenstad weer samen te komen met de Oude Rijn. Ook het Rijn-Schiekanaal en de Zijl takken vanuit Leiden af richting zuiden respectievelijk noorden. Met de klok mee vanuit het noorden, grenst Leiden achtereenvolgens aan de gemeenten Teylingen, Leiderdorp, Zoeterwoude, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten, Wassenaar, Katwijk en Oegstgeest. Via Teylingen grenst Leiden aan de Bollenstreek. Tot 1896 vormde de Singel de stadsgrens. Bij vier annexaties (1896, 1920, 1966 en 1981) nam Leiden grond over van de omliggende gemeenten Oegstgeest, Leiderdorp, Zoeterwoude, Voorschoten/Wassenaar en Warmond. In 1981 was de stad 12 maal zo groot als 85 jaar eerder.

Water en groen.

Vooral in de binnenstad vormt het water een belangrijk onderdeel van het straatbeeld. Naast de Oude en de Nieuwe Rijn die de hartlijn vormen, heeft de stad diverse grachten en singels. De bekendste gracht is het Rapenburg. Buiten het centrum verbinden naast de Rijn, riviertjes, kanalen en voormalige trekvaarten als de Zijl, de Haarlemmertrekvaart en de Trekvliet de stad met grote water- en recreatiegebieden net buiten de stad zoals Vlietland, de Kagerplassen en het Valkenburgse Meer.

De singels vormen ook een belangrijke groenvoorziening voor de stad, waar diverse parken als het Plantsoen, Ankerpark, Huigpark en de Hortus Botanicus op de plaats van de voormalige stadswallen zijn aangelegd. Buiten de binnenstad heeft de stad met de Leidse Hout een groot stadspark en kleinere wijk- en buurtparkjes zoals het Bos van Bosman en het Park Merenwijk met kinderboerderij.

Aan de zuidoostkant van de stad ligt polderpark Cronesteyn, op het terrein van voormalig Kasteel Cronesteyn. Dit park bestaat uit verschillende cultuurlandschappen en het heeft een reigersbos. Verder zijn er een bezoekerscentrum en een minicamping. Via dit park staat de stad in verbinding met het Groene Hart.